Met het vaste voornemen om nu eens een keer twee matchpunten mee naar huis te nemen togen wij naar het beruchte Krimpense Ontmoetingscentrum “De Tuyter” voor de uitwedstrijd tegen Krimpen 5: altijd lastig.
Binnen no-time sloeg de twijfel toe: We hadden Meindert gemist bij het vertrek uit Barendrecht. Gelukkig kon Roel hem nog oppikken (“… maak een U-bocht, als dat kan …”) maar wel met als gevolg dat beide matadoren zo’n tien minuten nadat de klokken waren gestart arriveerden. En alsof dat nog niet genoeg was heeft Jan helaas “De Tuyter” helemaal niet meer weten te bereiken. Ondanks enkele verwoede pogingen hem nog te bereiken wisten we niet te voorkomen dat na zestig minuten artikel 22 lid 3 van het RSB-competitiereglement in werking trad.
Ter zake nu dan:
Die tien minuten minder speeltijd kon Meindert niet van zijn stuk brengen. Sterker nog: als een jonge god wist hij nog voor ik goed en wel mijn tweede kopje koffie had laten aanrukken zijn en ons eerste punt te laten noteren. Een bord-1-speler waardig. Misschien moeten wij hem wat vaker in de regen laten wachten.
Eric op bord twee blijft maar scoren; zijn drie-en-halfde punt alweer. Lees hier zijn poëtisch verslag:
De partij had een vrij vast patroon.
Ik werd iets te creatief in de opening en kwam vrij zwak te staan.
Hij werd iets te creatief en liet een pion liggen.
Ik werd iets te creatief en kreeg een gepend paard aangevallen door een pion.
Hij werd iets te creatief en verloor die pion (in ruil voor een dubbelpion aan mijn kant).
Ik werd iets te creatief, waardoor hij kon rokeren en ik mijn hele aanval verloor.
Hij werd iets te creatief en miste een tegenzet na zijn paardoffer.
Ik werd precies creatief genoeg en dreigde mat-in-twee terwijl er ook nog een toren van mijn tegenstander in stond.
Na een verdedigende zet en het slaan van de toren miste hij de nieuwe mat-in-één dreiging en ik won.
Op bord 3 voelde Joost, na enkele zeer goede prestaties, een druk zoals alleen echte toppers die kunnen voelen. Helaas was hij aan het eind van de avond nog slechts een schim van de kanjer die vorige maal zo schitterend had weten te winnen.
Vanwege alle cynisme op de club over mijn geliefde loperoffer op f7, speelde ik een rustige variant van het Evans gambiet. Mijn stukken kwamen ondanks die geforceerde ingetogenheid redelijk actief uit de opening en een interessant middenspel leek tot de mogelijkheden te behoren.
Dat gebeurde echter niet, en elke 5 zetten had ik het gevoel dat ik weer ietsje achteruit gegaan was. Mijn tegenstander was niet op echt briljante zetten te betrappen, en ik liet grote fouten ook achterwege maar het verslechterde en verslechterde. Met drie pionnen minder begon mijn paard tegen de loper van de tegenstander zijn strijd. Na dapper maar zinloos verzet sloot ik in stijl af door mijn paard weg te blunderen. Handen schudden, gordijnen sluiten, licht uit.
Op bord 4 speelde A.C. met de hem inmiddels vertrouwde zwarte stukken.
Het werd weer Russisch, maar na enkele zetten zou zelfs Poetin dat niet herkend hebben. Door van het rechte pad af te wijken raakte mijn tegenstander achter in ontwikkeling en lag zijn koningsvleugel snel open. Door secuur te spelen en een vork te bewerkstelligen won ik een loper tegen een pion. Na 27 zetten was de strijd gestreden. En bij het analyseren bleek dat ik zelfs nog vijf zetten eerder al kunnen winnen.
In een poging de startproblemen uit mijn hoofd te zetten besteedde Marcel op bord 5 maar liefst twee minuten aan het bedenken van de eerste zet. Was dit weer een poging om straks in tijdnood te komen?
Zonder al te veel te verklappen, mijn eerste zet heb ik wederom afgekeken uit een partij van Anderssen uit 1858. Dat moet wel een goede raadgever zijn (hij speelde niet voor niets ‘de onsterfelijke partij’ en ‘die immer Grüne’). Alleraardigst is in elk geval altijd de reactie van de tegenstander. Na een zet of vijftien kon ik met het afruilen van een tweetal pionnen op de damevleugel een zeer interessante en sterke aanval krijgen. Ik rekende mij suf hoe dit er precies uit zou komen te zien maar kwam er niet helemaal uit. Daarom koos ik voor het alternatief: met het paard een schaakje geven en vervolgens een vork op de twee torens. Daarna uit alle macht afruilen wat er af te ruilen viel. De winst was toen feitelijk binnen hoewel ik er op mijn dooie gemak nog twintig zetten over deed voordat mijn tegenstander, op één zet van mat, de handdoek wierp.
Bord 6 leverde, zoals al gememoreerd, helaas geen punt op.
Roel op bord 7, na zijn onfortuinlijke belevenis de vorige maal, was gebrand op een beter resultaat. Nadat hij iets te laat de zaal binnenstoof zou je denken dat zijn goede daad (had hij immers niet Meindert meegenomen; en dat allemaal in het teambelang) beloond behoorde te worden. Niets was minder waar. Het is oneerlijk verdeeld in de wereld.
Op bord 8 tenslotte mocht Ab tegen de Benjamin van de tegenstander. Wellicht was hij een beetje van zijn apropos want deze Benjamin heette helemaal geen Benjamin. Nu wil het geval dat de jongste zoon van aartsvader Jacob die wij vooral kennen onder de naam Benjamin oorspronkelijk de naam Ben-Oni had. Het is mij niet bekend of Ab, die met zwart speelde deze avond, voor de Ben-Oni opening heeft gekozen. Wel zeker is dat een van de betekenissen van Ben-Oni, zoon van mijn smart, van toepassing was.


